knie

Hier vindt u alle nodige informatie omtrent specifieke behandelingen van de knie. Gebruik het menu aan de linkerkant om de specifieke behandelingen te bekijken van de diagnose die bij u werd vastgesteld.

Een gezonde knie

gezonde knieHet kniegewricht is het grootste en meest complexe gewricht van het menselijk lichaam. Behalve buigen en strekken zijn er in het gewricht ook andere bewegingen mogelijk, zoals draaien en glijden. De natuurlijke knie bestaat uit drie botstukken: het dijbeen (femur), het scheenbeen (tibia) en de knieschijf (patella).

In het kniegewricht zijn de uiteinden van het dijbeen, het scheenbeen en de achterkant van de knieschijf bedekt met glad kraakbeen. Door dit kraakbeen is er een soepele beweging tussen de twee botuiteinden mogelijk.

Als een gezonde knie een beweging maakt, bewegen de twee gewrichtsvlakken makkelijk en zonder pijn ten opzichte van elkaar.

Tussen de twee uiteinden van het dijbeen en het scheenbeen bevindt zich een andere kraakbenige structuur, de ‘meniscus’ genaamd, die als demper fungeert. Het kniegewricht wordt afgesloten door een gewrichtskapsel, dat een vlies bevat.

Sterke gewrichtsbanden verbinden het dijbeen met het scheenbeen, bedekken het gewricht en stabiliseren het.
De bewegingen van de knie worden aangestuurd en gecontroleerd door de sterke dijbeenspieren (quadriceps) en de spieren van het onderbeen.

Een gezonde knie laat het been vrij bewegen binnen zijn bewegingsbereik en absorbeert de schokken die ontstaan door activiteiten zoals lopen en rennen.

Een versleten knie

slechte knieKnie slijtage wordt gekenmerkt door slijtage van het kraakbeen en de meniscussen. Er onstaan kleine barstjes, putjes en scheurtjes in deze weefsels. Hierdoor zal u pijn, zwelling ervaren en minder goed kunnen functioneren (wandelen, trappen doen, fietsen). Slijtage treed meestal op door ouderdom maar kan ook op jongere leeftijd optreden door reuma of als gevolg van een ongeval. Slijtage wordt vaker gezien bij mensen met zwaar werk, lange tijd na sportongeval en bij overgewicht.

Knieprotheses algemeen

Het doel van het implanteren van een knieprothese is:

-Het verminderen van pijn en verbeteren van kwaliteit van leven.
-Eventuele vergroeiingen corrigeren, bijvoorbeeld o-benen of x-benen.
-Eventueel functieverlies van uw knie herstellen.

Het implanteren van een knieprothese betekent dat de uiteinden van het dijbeen, het scheenbeen en indien nodig, de achterkant van de knieschijf worden vervangen door een prothese. Knieprothesen zijn speciaal ontworpen om de anatomie van de knie zo dicht mogelijk te benaderen.

Er zijn diverse typen knieprothesen beschikbaar. In samenspraak met u wordt de meest geschikte prothese gekozen. De definitieve keuze wordt echter pas tijdens de operatie genomen.

Totale knie prothese

TKPHierbij worden de uiteinden van het dijbeen en van het scheenbeen voorzien van een nieuwe oppervlakte. De knieschijf krijgt niet altijd een nieuwe laag.
Elke knieprothese bestaat uit meerdere delen:

1. Het femorale (dijbeen) deel vormt het nieuwe oppervlak van het dijbeen en is gemaakt van een metaallegering.

2. Hoewel de knieschijf niet altijd een nieuwe laag krijgt, vervangt het knieschijfdeel de onderkant van de knieschijf en wrijft tegen het dijbeen. Het knieschijfdeel is helemaal van kunststof.

3. Het onderbeen gedeelte is tweedelig. De tweedelige variant bestaat uit een metalen vlak dat aan het bot wordt bevestigd en een kunststof inzetstuk (poly-ethyleen of PE) voor een glad oppervlak waar het dijbeen overheen schuift.

Halve knieprothese of unicompartimentele prothese

halve KPHierbij is slechts één deel van de knie beschadigd en krijgt enkel dit deel een nieuwe oppervlakte. De delen van de knie die niet beschadigd zijn krijgen geen nieuwe laag.

 

Revisie TKP

revisie TKPEen nieuwe operatie van een eerder geplaatste knieprothese die is versleten, niet goed werkt of los is geraakt.
De eerder geplaatste delen worden geheel of gedeeltelijk verwijderd en vervangen door nieuwe. Meestal is de revisie prothese groter en verlengd door middel van een steel voor een betere fixatie.

Hoe ontstaat een kraakbeen letsel ?

Door een trauma (ongeval), microtrauma (overbelasting) of degeneratie (ouderdom en slijtage). De pijn bij een dergelijk letsel ontstaat door het defect in het kraakbeen en overdruk op het onderliggende bot waardoor er beenmergzwelling optreedt en pijn. Tevens kan de daarmee gepaard gaande zwelling pijn veroorzaken in het gewricht.

Zijn alle kraakbeenletsels te behandelen ?

Trauma en microtraumatische letsels zijn best behandelbaar, voor degeneratieve letsels ligt dit moeilijker. Boven de leeftijd van 50 jaar komen patiënten minder in aanmerking voor een biologische optie. Indien kraakbeenletsels niet behandeld worden, kan de laag kraakbeen geleidelijk verder afslijten met artrose en voortschrijdende immobiliteit tot gevolg.

Behandelingsopties

Momenteel zijn er diverse therapieën, afhankelijk van leeftijd, ernst en mate van activiteit.

Medicatie: Vaak worden hyaluronzuurgel en glucosaminepreparaten ingezet in de eerste fase bij de behandeling of na een ingreep. Deze geneesmiddelen zijn niet terugbetaald. Ook geconcentreerde plasmagels worden op dit ogenblik onderzocht.

Shaving: tijdens een kijkoperatie worden de losliggende kraakbeen stukjes verwijderd d.m.v. een shaver. De randen van het kraakbeenletsel worden gestabiliseerd.

Microfractuur of ice picking

kraakbeen - microfracture of ice-pickingTijdens een kijkoperatie wordt met een ice pick kleine gaatjes geprikt in het onderliggende bot. Bij het ice-picken borrelt het beenmerg doorheen de gaatjes in het letsel waardoor een bloedklonter met stamcellen het kraakbeenletsel kan opvullen. Deze stamcellen kunnen dan herstel weefsel aanmaken. Deze techniek is geschikt voor geïsoleerde kraakbeenletsel tot max. 1.5 cm². Een recente studie heeft aangetoond dat toevoegen van bepaalde gels de genezing na microfractuur kan optimaliseren. Deze toepassing is nu beschikbaar in AZ Monica onder strikte study omstandigheden.

Meniscus: zoveel meer dan een schokdemper !

meniscusMeniscussen, elke knie heeft er twee. Langs de binnenkant van de knie zit een maanvormige sikkel, aan de buitenkant een open rondje. Ze vervullen 3 functies: drukspreiding, glijding en stabiliteit. De binnenste meniscus draagt ongeveer 50% van het gewicht in de knie. De rest rust op het kraakbeen. De buitenste draagt nog meer, namelijk 70%. De meniscussen verspreiden het gewicht over een groot oppervlak. Haal je hem weg, dan drukt al het gewicht op het kleine oppervlak waarmee kraakbeen van dijbeen en scheenbeen elkaar raken. De meniscussen zorgen er ook voor dat dit kraakbeen over elkaar schuift zonder veel weerstand. Zonder meniscussen schraapt het kraakbeen met een zeer hoge lokale piekdruk en dat beschadigt het kraakbeen.

Daarnaast dragen meniscussen ook bij aan de stabiliteit van het kniegewricht. Wanneer een voorste kruisband afscheurt, zorgt alleen de binnenste meniscus ervoor dat de koppen van dij- en onderbeen bij het plooien van het been op hun plaats blijven ten opzicht van elkaar. Hij staat daarbij bloot aan enorme krachten en dat verklaart waarom hij zo snel slijt bij mensen die geen voorste kruisband meer hebben.

Partiële meniscectomie

partiële meniscectomieIndien de meniscus onherstelbare schade heeft opgelopen, dan wordt de scheur tijdens een kijkoperatie verwijderd met speciale instrumenten, tangetjes en shavers. Uiteraard wordt enkel het beschadigde deel verwijderd, de gezonde delen worden bewaard. De partiële meniscectomie is de meest uitgevoerde arthroscopische ingreep ter wereld met gunstige resultaten in meer dan 90% van de patiënten. Desalniettemin is het risico op verdere slijtage van het gewricht bij deze patiënten verhoogd op lange termijn (meer dan 20 jaar). In een beperkt aantal patiënten, ontstaat pijn, zwelling of versnelde kraakbeenslijtage kort na de ingreep. Deze patiënten komen dan ook in aanmerking voor bijkomende behandeling zoals meniscus vervangende oplossingen (zie verder)

Meniscus hechting

meniscushechtingIn sommige gevallen kan een meniscus scheur hersteld worden door een meniscus hechting. Spijtig genoeg komen niet alle scheuren hiervoor in aanmerking; enkel scheuren bij jonge patiënten in een goed doorbloed gebied . Tijdens een kijkoperatie wordt de scheur gehecht door middel van geavanceerde technieken met naald en draad. De slaagkansen van deze operatie zijn ongeveer 80%.

Kunstmeniscus of scaffold

kunstmeniscus of scaffoldWe zoeken tegenwoordig vooral hoe we de meniscus en zijn functie kunnen bewaren. Bijvoorbeeld een scaffold of poreuze kunstmeniscus waarin zich lichaamseigen cellen vastzetten die tot een nieuwe meniscusachtige structuur uitgroeien. Voorlopig is deze techniek alleen geschikt voor partiële of kleinere pijnlijke defecten. De ingreep gebeurt via een kijkoperatie. Er bestaat op dit ogenblik reeds meer dan 5 jaar ervaring met deze innovatieve scaffold. De korte termijn ervaringen werden recentelijk gepubliceerd in de ‘Americal Journal of Sports Medicine’.

Meniscustransplantatie

meniscustransplantatieJonge mensen met pijn en een sterk beschadigde of volledig weggenomen meniscus, maar bij wie het kraakbeen in de knie nog vrij goed in orde is, zijn ideale kandidaten voor deze meniscus transplantatie. Hierbij wordt de volledige meniscus vervangen door een donor meniscus, deze techniek is dus bedoeld voor grotere letsels. De ingreep gebeurt via een kijkoperatie. Nadeel van meniscus transplantatie is uiteraard dat er een geschikte donor meniscus beschikbaar dient te zijn, een wachtlijst van 6 tot 12 maand in geen uitzondering meer.

We hebben meer dan 20 jaar ervaring met meniscus transplantaties welke in alle toonaangevende orthopedische tijdschriften werd gepubliceerd (AmJBJS, KSSTA, Arthroscopy)

Meniscusprothese

meniscusprotheseDeze innovatieve techniek bevindt zich nog in een experimenteel stadium. Op dit ogenblik loopt er een multicentrische studie waarbij zorgvuldig geselecteerde patiënten deze nieuwe meniscus prothese krijgen ingeplant. De eerste resultaten lijken veelbelovend. Mogelijks is dit een oplossing voor wat oudere mensen waarbij de binnen of mediale meniscus grotendeels diende verwijderd te worden. In dit geval wordt de versleten meniscus dan vervangen door een kunststof meniscus prothese.

Osteotomie

osteotomieEen normale knie heeft een rechte as, dit wil zeggen dat de belasting van het been door het midden van de knie loopt. Indien de belastingsas van het been afwijkt spreekt men van O-benen of X-benen; een ascorrectie of osteotomie van de knie is dan de aangewezen oplossing.

Oorzaken

De as van het been kan afwijken van de normale as door een aantal oorzaken:

•Een aangeboren asafwijking
•Een vroegere operatie (bv volledige verwijdering van de binnenste of buitenste meniscus)
•Een vroeger ongeval met een breuk die in een afwijkende stand geheeld is.

Types

De asafwijking van het been kan in 2 richtingen verlopen:

• We spreken van een O-been of varus knie als de belastingsas door het binnenste deel van de knie loopt. Dit leidt tot overbelasting en snellere kraakbeenslijtage van de binnenkant van de knie.
• We spreken van een X-been of valgus knie als de belastingsas door het buitenste deel van de knie loopt. Dit leidt tot overbelasting en snellere kraakbeenslijtage van de buitenkant van de knie.

Operatie

De as-afwijking kan operatief gecorrigeerd worden door middel van een open wig of gesloten wig osteotomie. Op die manier kunnen we het overbelaste deel van de knie beschermen tegen vroegtijdige slijtage of artrose. Deze correctie heeft alleen nut als de andere delen of compartimenten van de knie nog in goede staat zijn.

Tijdens een open wig osteotomie wordt het been doorgenomen door middel van zaag en beitel en dan progressief opengesperd tot de gewenste correctie wordt bekomen. Deze correctie wordt gecontroleerd tijdens de ingreep door middel van fluoroscopie. Tijdens een gesloten wig osteotomie wordt een driekhoekige wig verwijderd en het been toegeklapt. Open wig correcties worden het meeste uitgevoerd tenzij bij rokers en zwaarlijvige personen waarbij gesloten wig correcties worden uitgevoerd.

Patella/Patellofemoraal

Het patellofemorale gewricht (=het gewricht tussen knieschijf en dijbeen) is een complex gewricht waarbij stabiliteitsproblemen (deel 1), kraakbeenletsels en artrosepijnproblemen (deel 2) en pijnproblemen (deel 3) vaak optreden. Deze problemen dienen goed van elkaar te worden gescheiden aangezien ze elk een andere aanpak vergen.
Belangrijk om weten is dat de knieschijf tot 8 maal het lichaamsgewicht moet ondergaan bij trappen lopen, afdalen, springen en landen. Ook in diepe flexie of hurkzit, gaat er enorm veel kracht door dit gewricht. Vandaar de frequente problemen.

Patellaluxaties en instabiliteit

Patellaluxaties en instabiliteit treden meestal voor het eerst op bij jonge mensen tussen de leeftijd van 14 en 24 jaar. De onderliggende reden is een afwijking in de vorm van het dijbeen en de vorm van de knieschijf waarbij de trochlea (goot van het dijbeen waarin de knieschijf dient te glijden) afgevlakt is (trochleodysplasie). Hierdoor kan de knieschijf gemakkelijker naar lateraal luxeren of uit de kom schieten. In bepaalde gevallen is ook de positie van de knieschijf te hoog (patela alta), is het aanhechtingspunt van de knieschijfpees op het scheenbeen te lateraal (verhoogde TAGT afstand) en/of is de knieschijf teveel gekanteld (patellar tilt). Hoe ernstiger deze afwijkingen zijn in de knie, des te vroeger zal de eerste luxatie optreden. Uitzonderlijk kan een luxatie optreden bij iemand zonder risicofactoren tijdens het sporten waarbij een directe stoot wordt gegeven op de knieschijf.

Tijdens een patellaluxatie scheurt het Mediaal PatelloFemoraal Ligament (MPFL) altijd waardoor het risico dat een patellaluxatie een tweede maal optreedt uiteraard vergroot.
De laatste jaren is daarom de chirurgische aanpak van patellaluxaties geconcentreerd op de reconstructie van het MPFL ligament met uitstekende resultaten.

Bij sommige patiënten kan tijdens een luxatie een kraakbeenletsel ontstaan. Echter de meeste van deze letsels dienen niet behandeld te worden, aangezien herstel van de stabiliteit door de MPFL-reconstructie de genezing van het kraakbeenletsel vaak spontaan bewerkstelligt.

MPFL-reconstructie

patellofemoraal - mpfl recoVoor de reconstructie van het MPFL wordt meestal een eigen pees gebruikt (gracilis of semitendinosus). Deze pees wordt vastgemaakt op de dijbeen en op de knieschijf waardoor de knieschijf niet meer naar buiten kan luxeren. Doordat deze reconstructie 4 maal zo sterk is als het oorspronkelijke ligament, zal hierdoor de stabiliteit van de knieschijf bij het overgrote deel van de patiënten weer voldoende worden hersteld.

Bijkomende chirurgie

In sommige gevallen staat de knieschijf te hoog (patella alta) en zal er onvoldoende effect kunnen worden bekomen met enkel een MPFL-reconstructie. In dat geval dient dan de positie van de knieschijf te worden verlaagd door middel van een tuberositas tibia transfer.
In andere gevallen is het aanhechtingspunt van de knieschijf op het scheenbeen te lateraal en dient deze dus te worden gemedialiseerd.
In sommige gevallen is de trochleodysplasia heel ernstig en dient een trochleoplastie te worden uitgevoerd.
De indicaties tot bijkomende chirurgie dienen geval per geval bekeken te worden door uw chirurg.

Kraakbeenletsels en artrose

Kraakbeenletsels ter hoogte van knieschijf en trochlea hebben hun oorsprong in ofwel zeldzaam een duidelijk trauma (bijvoorbeeld val op de knie of patellaluxatie) ofwel frequent door microtraumata. Deze microtraumata zijn vaak opeenstapelingen van kleine letsels door minimale, doch langdurige overbelasting waarbij uiteindelijk kraakbeenletsels ontstaan. Dit is dan ook de verklaring dat de meeste kraakbeenletsels worden gezien op wat oudere leeftijd, met name tussen 35-45 jaar. De meeste patiënten komen echter wanneer het volledige kraakbeen versleten is en de knie dus artrose vertoont.
Behandeling van kraakbeenletsels op oudere leeftijd is meestal conservatief door middel van kinesitherapie, infiltraties met hyaluronzuur of cortisone. In specifieke gevallen kan er een chirurgische indicatie bestaan voor een arthroscopie, een kraakbeenbehandeling of het verplaatsen/ontlasten van de knieschijf (Fulkerson ingreep).
In geval van artrose kan prothesechirurgie noodzakelijk zijn. Typisch zijn deze patiënten iets jonger (50-60 jaar) dan de klassieke prothese patiënt (65+).

Anterior knee pain

Anterior Knee Pain of pijn vooraan in het kniegewricht komt vaak voor.
Dit probleem wordt vaak gezien bij jonge meisjes en dames (12-25 jaar). Er is geen verhaal van duidelijke instabiliteit noch zijn er duidelijke afwijkingen zichtbaar op de beeldvorming. Deze patiënten dienen conservatief te worden behandeld door middel van informatie, specifieke kinesitherapie en eventueel voedingssupplementen. Er bestaat hier geen chirurgische indicatie. Alhoewel vaak langdurig van aard, gaan de meeste klachten spontaan weg na de leeftijd van 25 jaar.

Bij elke chirurgische ingreep bestaat de kans dat er een complicatie optreedt. Indien u in aanmerking komt voor een bepaalde knieoperatie, zal uw orthopedische kniechirurg de daaraan verbonden mogelijke risico’s en complicaties met u bespreken. Uw kniechirurg en zijn team nemen specifieke maatregelen om de kans op complicaties te minimaliseren.

Mogelijke complicaties na arthroscopie met eventuele meniscusbehandeling

Een arthroscopie is een veilige ingreep waarbij zelden verwikkelingen optreden.
Mogelijke complicaties zijn onder andere een forse en langdurige zwelling, een bloeding in de knie en zeer zelden een gewrichtsontsteking.

Een postoperatieve zwelling kan behandeld worden met rust, hoogstand en ijsapplicatie (cold packs). Bij gebrek aan cold packs kunt u een zak bevroren groenten uit de diepvries gebruiken. Een cold pack mag telkens maximum vijftien minuten op het gewricht geplaatst worden. Wanneer een bloeding optreedt, neemt u contact op met uw huisarts. Rust en een drukverband zijn dan de behandeling. Ook bij plotselinge pijn moet u contact opnemen met uw huisarts.

Omdat er ook bij de arthroscopie sneden in de huid worden gemaakt, is het mogelijk dat er een huidzenuwtje of bloedvat rond de knie wordt beschadigd. De huid rondom kan daarna een beetje verdoofd aanvoelen of extra gevoelig zijn. Deze klachten verdwijnen meestal in de loop van de tijd en geven later geen last meer.

De knelband (de ingreep wordt meestal onder bloedleegte uitgevoerd) kan soms klachten na de operatie geven, bijvoorbeeld een gevoel van kneuzing van de weefsels aan de dij. Ook deze klachten verdwijnen meestal na verloop van tijd.

Diepe veneuze trombose (DVT)-preventie gebeurt enkel bij risicopatiënten en boven de leeftijd van 50 jaar. De duur is klassiek 10 dagen.

Een niet-frequente complicatie na een kijkoperatie van de knie is het ontstaan van een trombosebeen of een longembolie. Als de kuit harder en pijnlijker aanvoelt, roder is of glanst, kan er sprake zijn van een trombosebeen. Neem bij twijfel dringend contact op met uw behandelend arts.

Mogelijke complicaties na voorste kruisband operatie

Infecties worden slechts zeldzaam gezien, maar kunnen zowel optreden rond de wonde of dieper rondom de kruisband. Oppervlakkige wondinfecties kunnen in de meeste gevallen behandeld worden door antibiotica. Diepe infecties vergen meestal bijkomende arthroscopische chirurgie. Tijdens de ingreep wordt antibiotica gegeven om het risico op infecties te minimaliseren.

Bloedklontering of flebitis kunnen optreden. Wanneer deze klonters zouden loskomen kunnen ze naar de longen schieten en daar een levensbedreigend longembool veroorzaken. Om dit risico te minimaliseren worden daarom spuiten met een bloedverdunner gegeven gedurende 20 dagen.

In ongeveer 5% van de gevallen blijft volledig strekken na 3 maanden revalidatie moeilijk. Meestal is dit te wijten aan littekenweefsel dat rondom de nieuwe kruisband groeit. Indien problematisch, kan dit littekenweefsel via een kijkoperatie vlot worden verwijderd (klassiek tussen maand 3 en 6).

Mogelijke complicaties na knieprotheses

Complicaties na totale knie prothese chirurgie zijn zeldzaam. Ernstige complicaties zoals infecties komen voor in minder dan 2% van de gevallen. Majeure complicaties zoals een hartaanval of een herseninfarct zijn zelfs nog zeldzamer. Bij chronische aandoeningen kunnen meer complicaties worden genoteerd. Alhoewel zeldzaam kunnen complicaties de revalidatie bemoeilijken of beperken. Bespreek dit uitgebreid met uw arts voor de operatie.

Infecties kunnen zowel optreden rond de wonde of dieper rondom de prothese. Dit kan voorkomen direct na de plaatsing van de prothese, tijdens uw verblijf in het ziekenhuis of zelfs veel later. Oppervlakkige wondinfecties kunnen in de meeste gevallen behandeld worden door antibiotica. Diepe infecties vergen meestal bijkomende chirurgie waarbij de prothese zelfs dient verwijderd te worden. Elke infectie bv tandabces of urineweginfectie kunnen spreiden naar de prothese. Tijdens de ingreep wordt antibiotica gegeven om het risico op infecties te minimaliseren.

Bloedklontering of flebitis kunnen optreden. Wanneer deze klonters zouden loskomen kunnen ze naar de longen schieten en daar een levensbedreigend longembool veroorzaken. Om dit risico te minimaliseren worden daarom spuiten met een bloedverdunner gegeven gedurende 40 dagen.

Het design en de materialen waaruit protheses zijn gemaakt ondergaan gestage verbeteringen. Desalniettemin, kunnen protheses verslijten en loskomen.

Alhoewel een gemiddelde buiging van 120 graden wordt bereikt, kan er overmatig littekenweefsel worden gevormd waardoor er een verstijving van het gewricht kan ontstaan. Dit wordt vaker genoteerd bij jongere patiënten en patiënten met reeds voor de operatie een beperkte beweeglijkheid.

Een beperkt aantal patiënten zal na de operatie toch nog pijn behouden.

Schade aan bloedvaten en zenuwen is uitermate zeldzaam maar kan optreden na deze operatie.

Mogelijke complicaties na osteotomie van de knie

Infecties worden slechts zeldzaam gezien, maar kunnen zowel optreden rond de wonde of dieper rondom de kruisband. Oppervlakkige wondinfecties kunnen in de meeste gevallen behandeld worden door antibiotica. Diepe infecties vergen meestal bijkomende arthroscopische chirurgie.

Bloedklontering of flebitis kan optreden.

Bloeding vanuit de knie is haast onvermijdelijk bij deze operatie en is eerder een verzorgingsprobleem. Vandaar wordt er meestal 1 nachtopname voorzien.

Stijfheid, gevoeligheid en/of zwelling van de knie.

Schade aan bloedvaten en/of zenuwen is uitermate zeldzaam maar kan optreden na deze operatie.

Het is mogelijk dat de uitgevoerde osteotomie (breuk) slecht aan elkaar vastgroeit, ondanks de huidige moderne techniek. Er is dan sprake van een malunion. Het is ook mogelijk dat de osteotomie niet aan elkaar vastgroeit en dan is er sprake van non-union. Zowel een mal- als een non-union kunnen worden opgelost, doch vereisen een nieuwe operatieve ingreep.

Vertraagde genezing van de osteotomie treedt vaker op bij rokers en diabetici. Rookstop is dus aangeraden bij dit type van ingreep.

De stand van het been werd niet voldoende of juist te veel aangepast. Er is dan sprake van ondercorrectie of overcorrectie.

Terugkerende pijn veroorzaakt door het gebruikte osteosynthesemateriaal. Dit kan eenvoudig verholpen worden door een operatieve verwijdering van het osteosynthesemateriaal.