Impingement of Subacromiaal Pijnsyndroom
Impingement is een veel voorkomende klinische entiteit en werd origineel beschreven als “een conflict tussen de rotator cuff en het schouderdak”. Meer specifiek maakt de bovenzijde van de supraspinatuspeesaanhechting contact met de onderzijde van het schouderdak (acromion), waardoor progressief irritatie van de slijmbeurs en rotator cuff zal optreden, wat uiteindelijk kan leiden tot slijmbeursontsteking (bursitis) en rotator cuff pees letsels. Meestal is in dit proces eveneens de lange bicepspees betrokken, leidende tot tenosynovitis of (partiële) rupturen van het proximale deel van de lange bicepspees.
Recente inzichten suggereren veeleer een belangrijke rol voor het schouderblad (scapula) en intrinsieke degeneratie in de pathogenese van impingement en rotator cuff tendinopathie dan louter en alleen een mechanisch conflict, waardoor er nu veeleer gesproken wordt van het “Subacromiaal Pijnsyndroom”. Vandaar dat er steeds specifiek aandacht zal uitgaan naar kinesitherapie met correctie van de scapulaire dyskinesie en schoudergordeltonificaties, en is een conservatieve aanpak de regel.
Diagnose
Patienten met een subacromiaal pijnsyndroom presenteren zich gewoonlijk met anterolaterale schouderpijn die optreedt bij bewegingen boven schouderhoogte (painful arc) en ’s nachts bij het liggen op de aangetaste zijde. De beweeglijkheid blijft meestal goed bewaard. Radiografisch onderzoek beperkt zich gewoonlijk tot een standaard RX met specifieke outlet view , waarbij de vorm van het acromion en eventuele vernauwing van de subacromiale ruimte kan beoordeeld worden. Een aanvullende echografie brengt meer informatie omtrent de toestand van de rotator cuff en de bicepspees.
Arthroscopische decompressie
In het grootste aantal van de gevallen werk een conservatieve behandeling prima en is er geen heelkundige ingreep noodzakelijk. In sommige gevallen echter faalt de conservatieve behandeling en kan een mechanisch conflict alsnog aan de basis liggen van blijvende pijnklachten. In dat geval wordt er een arthroscopische ingreep verricht (arthroscopische decompressie). Deze bestaat erin het antero-inferieure deel van het acromion af te vlakken (acromioplastie) zodat verdere mechanische beschadiging van de rotator cuff kan vermeden worden. Tijdens de ingreep wordt eveneens een inspectie van het gleno-humerale gewricht uitgevoerd: het kraakbeen, de ligamentaire structuren en peesstructuren van de biceps en rotator cuff aan de articulaire zijde worden hierbij geïnspecteerd. Tenslotte wordt de bovenzijde van de rotator cuff geïnspecteerd en eventuele oppervlakkige beschadiging worden gedebrideerd tot op bloedend, gezond peesweefsel. Wanneer de rotator cuff insertie tot meer dan 50 % van de dikte aangetast is, dient een gelijktijdig peesherstel uitgevoerd worden (zie “Rotator Cuff Scheur”).
AC lijden
Calcificatie
Postoperatief verloop
Bij een subacromiale decompressie en eventuele AC resectie of behandeling van een calcificatie, worden er in principe geen peesstructuren of ligamenten chirurgisch hersteld en is er dus geen stricte bescherming nodig. Immobilisatie is beperkt tot de eerste 12 h omwille van antalgische redenen en nadien kan onmiddellijk gestart worden met kinesitherapie. Analgesie en lokale ijsapplicaties zijn meestal de eerste week aangewezen. Uiteraard moet wel rekening gehouden worden met het natuurlijke genezingsproces van de rotator cuff na debridement voor oppervlakkige uitrafeling of na curettage van een calcificatiehaard. Ook na een AC resectie zijn mobilisaties boven schouderhoogte, en dan vooral in combinatie met adductie, de eerste 2 weken pijnlijker dan bij een klassieke decompressie. De passieve en actieve mobiliteit wordt gemiddeld herwonnen over een periode van 2 tot 3 weken. Uiteraard speelt eventuele pre-operative stijfheid een belangrijke rol. Specifieke aandacht naar stretching van het kapsel in alle amplitudes is essentieel. Vanaf de mobiliteit volledig herwonnen is, kan overgegaan worden naar de laatste fase, namelijk de tonificaties. Vooral functionele bewegingen dienen uitgevoerd te worden, eerst onder, later boven schouderhoogte, zonder hierbij de pathologische rotator cuff te overbelasten. Correctie van scapulaire dyskinesie, scapulasettings, houdingscorrecties etc. zijn de ganse revalidatie van belang, gezien scapulaire disfunctie vaak mee aan de bron ligt van het impingement.
De meeste patiënten zijn na 2 tot 3 maanden nagenoeg pijnvrij en kunnen werk en hobby hervatten. De lange termijnresultaten zijn zeer gunstig met zeer weinig recidieven of eventuele progressie naar rotator cuff scheuren.



